← All Insights

Het beste contract ligt niet in de la

Het beste contract is het contract dat je nooit nodig hebt. Je maakt het, je tekent het, je legt het in de la, en het komt er alleen uit als er ruzie is. Zo is het mij geleerd en zo wordt het nog steeds gezegd, en het klinkt bescheiden en verstandig. Bovendien zit er een prettige boodschap in voor de mensen die het werk moeten maken: bemoei je niet met dat papier, ga bouwen.

Andrea Chao geloofde dat tien jaar geleden ook. In de 39e aflevering van Bouwen met Vertrouwen vertelde ze dat haar beeld daarop grondig is veranderd. Andrea is partner bij Bird & Bird en voorzitter van FIDIC Task Group 17, die werkt aan een samenwerkingsgericht modelcontract. Haar moeder Monika Chao-Duivis, emeritus hoogleraar bouwrecht in Delft en oud-directeur van het Instituut voor Bouwrecht, zat naast haar. Monika werkt sinds 1984 in het bouwrecht, Andrea rolde er via het aanbestedingsrecht in, en het bleek bepaald geen gesprek waarin ze elkaar naar de mond praatten.

Ondertussen zie ik een contract primair als een handleiding van hoe partijen met elkaar willen omgaan.

Een spoorboekje dus. Het goede contract komt volgens haar tot stand in overleg: ik wil dit, jij wilt dat, dit is een oplossing, laten we het zo doen. Daarmee is het een gezamenlijk product, en heeft het tussen die partijen betekenis, want het is hun eigen verwoording van hoe zij met elkaar om willen gaan.

Waarom is dat meer dan een vriendelijke gedachte? Omdat een project langer duurt dan de mensen die het bedacht hebben. Halverwege komen er nieuwe contractmanagers, nieuwe projectdirecteuren, nieuwe adviseurs, en die hebben aan de intentie van de start niet meegedaan en geloven er soms ook niet in. Staat er dan in het contract dat partijen op deze manier zullen samenwerken en elkaar op die manier zullen helpen, dan beperk je de schade die zulke krachten aanrichten. Het contract beschermt de oorspronkelijke bedoeling tegen de mensen die later aanschuiven.

Maar dan moet dat contract dus wel gelezen worden. En daar begint het echte werk, want vrijwel niemand vindt het leuk om lange volzinnen te lezen. Andrea trekt daaruit de enige consequente conclusie: dan moeten we met die materie anders omgaan. Infographics dus, workshops, sessies waarin partijen het contract samen doornemen en in hun eigen taal navertellen tot ze precies snappen wat er staat. Niet omdat dat leuk is, maar omdat een handleiding die niemand begrijpt geen handleiding is.

Monika legde daar meteen een tegenwicht naast, en dat is het interessantste moment van het gesprek. In Delft leerde ze dat ingenieurs en juristen een probleem totaal anders benaderen. Juristen denken in verplichtingen en in sancties: wat moeten partijen doen en wat gebeurt er als ze het niet doen. Ingenieurs zoeken oplossingen. Uitdrukkingen als "wie niet behoedt, die bloedt" vond ze gruwelijk, omdat ze de verhouding op slag kleuren en partijen het gevoel geven dat ze niet meer vrijuit met elkaar kunnen praten.

De juristen, ik heb dat altijd gezegd in Delft, die moet je lang buiten de deur houden.

Het contract heb je nodig, zegt ze er meteen bij, en procedures moet je met elkaar afspreken. Maar primair moeten de mensen op de werkvloer de ruimte hebben om het naar hun eigen inzicht te doen, met dat contract als vertrekpunt. Juristen zijn daarbij dienstbaar. Niet om in de weg te staan.

Spreken die twee elkaar tegen? Ik denk het niet. Een handleiding wordt juist geschreven zodat de gebruiker de auteur niet hoeft te bellen. Concreet genoeg om echt te worden gebruikt, en bescheiden genoeg om daarna uit beeld te verdwijnen.

Wat dat "concreet genoeg" kost, liet Andrea ook zien. Mutual trust and cooperation staat in tal van contracten, en als je tien mensen vraagt wat ze daarmee bedoelen krijg je tien antwoorden, terwijl iedereen denkt hetzelfde te zeggen. Het werk in de duurzaam gebouwd-bouwteammodellen en nu bij FIDIC bestaat er juist uit die woorden smart te maken: hoe gaan we werken aan die samenwerking, aan dat vertrouwen, aan het delen van informatie, aan het tijdig waarschuwen van elkaar. Dat levert geen kort contract op de achterkant van een bierviltje op. Dat is de prijs, en die is het waard, want pas dan heb je het ergens over.

De bekendste tegenwerping is dat zoiets alleen in een polderland werkt. Andrea hoort die tegenwerping overal: in Duitsland, in Polen, in Roemenië, in Saudi-Arabië. Elders kan het, bij ons nooit, en dan volgt een reden die met cultuur te maken heeft of met het verleden. Eén van hen heeft gelijk en de rest niet. Onderliggend loopt ieder land namelijk tegen hetzelfde aan: er moet meer gebouwd worden dan er capaciteit is bij aannemers. Wat doe je dan als aannemer? Je zoekt zekerheid, je kiest de projecten en de opdrachtgevers die je die zekerheid gunnen. De opdrachtgever die vasthoudt aan zijn oude contract mag op zijn hoofd gaan staan, of een flinke marge bijbetalen.

Een handleiding die niemand openslaat is geen handleiding. Dat is een la.