Vraag een willekeurige bouwjurist wat het hart van een aannemingsovereenkomst is en het antwoord komt zonder aarzeling: werk voor een prijs. De prijs staat vast. Alles wat daarna anders loopt dan bedacht is een afwijking, en afwijkingen kosten iemand geld. Zo staat het er, en zolang het werk lijkt op wat er beschreven is werkt het ook prima.
In de 40e aflevering van Bouwen met Vertrouwen sprak ik met Matton van den Berg, emeritus hoogleraar bouwrecht, en met zijn zoon Bas van den Berg, alliantiemanager bij ProRail voor de alliantie Vught Verdiept. Matton promoveerde op Samenwerkingsvormen in de bouw, ontwikkelde samen met Dick van Werven het bouwteammodel dat via het Instituut voor Bouwrecht en later VG Bouw en Bouwend Nederland decennialang de markt heeft bediend, en zat daarna aan de andere kant van de tafel als arbiter, bindend adviseur en lid van raden van deskundigen. Bas schreef het alliantiecontract waar hij nu dagelijks in werkt in twee weken op een camping. De een heeft het denken over samenwerking in de Nederlandse bouw vormgegeven, de ander brengt het in een bouwput in praktijk.
Bas zei iets dat ik zelden zo scherp heb horen formuleren. Grote projecten in de Nederlandse infrastructuur zijn gewoon prototypes. Je bouwt iedere keer iets nieuws, weliswaar met bestaande technieken, maar het is iedere keer nieuw. Bij Vught en Den Bosch loopt het spoor door dorps- en stadskernen, de treinen moeten blijven rijden, de omgeving moet er blijven wonen, en bouwen zonder hinder bestaat niet. Zoiets doe je niet in een weiland en je doet het niet twee keer.
En dan is het, zei hij, heel gek om te denken dat je dat aan de voorkant goed kunt opschrijven en dat de aannemer het daarna wel even voor je maakt.
Kun je een prototype aanbesteden tegen een vaste prijs? Op papier wel. Het gebeurt ook, elke week. Maar kijk wat die vaste prijs vervolgens doet. Het werk blijkt anders te zijn dan bedacht, want dat is wat prototypes doen. Dan moet de opdrachtgever bijbetalen, en dat doet pijn. Of de aannemer levert marge in en gaat op enig moment verlies maken, en dat doet ook pijn. Vanaf dat moment is het contract niet langer de afspraak, maar het instrument om die pijn ergens neer te leggen: wat hadden we afgesproken, en kan dat echt niet anders? Wat er dan vaak vergeten wordt, aldus Bas, is het belang dat er onder ligt. Hoe vaak hebben we het er in de bouw gewoon met elkaar over dat het anders wordt, en duurder, en wat we daar samen aan kunnen doen?
Dat is geen pleidooi tegen contracten. Bas ziet het contract als gereedschap, en die vergelijking is de moeite waard om helemaal uit te lopen. In de kist zitten de UAV, de UAV-GC, bouwteammodellen, allianties, en al die instrumenten zijn op zichzelf prima gereedschap. Het gaat mis wanneer je met één stuk gereedschap de boer op gaat.
En als UAV-GC een schroevendraaier is, dan moet je project een schroef zijn.
Daarmee verschuift ook wat je van een jurist mag verwachten. Niet: hier is mijn model. Wel: wat is de opgave hier, wat heeft dit project nodig, en wat past daarbij? Bas noemt de jurist het verlengstuk van die gereedschapskist. Uiteindelijk gaat het niet zozeer over het model, zei hij, maar over de specifieke context waarin je moet werken, en daar schrijf je iets bij.
Matton kent de andere kant. Wat hem in arbitrages en bindend adviezen altijd is opgevallen, is dat iedereen zijn eigen advocaat meebrengt en daarmee zijn eigen gelijk, zijn eigen positie, en dat daar niemand meer vanaf te brengen is.
Terwijl de betrokken partijen eigenlijk heel wel zouden varen bij een oplossing ergens in het midden.
Partijen kiezen voor arbitrage of bindend advies juist omdat het sneller en soepeler zou zijn dan de gewone rechter. En wat gebeurt er? Er worden meteen processuele kwesties opgeworpen, er moet een tussenbeslissing komen waarin arbiters uitleggen waarom zij het zo mogen doen, en je bent maanden verder. De vorm die voor snelheid was gekozen gaat slepen. Matton neemt dat de advocaat niet kwalijk, en dat is precies wat het argument sterk maakt: wie betaald wordt om het onderste uit de kan te halen, doet dat. Zijn punt is dat in de opleiding het gemeenschappelijk belang nauwelijks aan bod komt. Is jouw partij werkelijk gediend met een voortslepende procedure? Is het niet mogelijk om elkaar eerder te vinden?
Kortom, het geschil zit zelden in de techniek en meestal in de constructie die we er zelf omheen hebben gezet: een vaste prijs op een prototype, en een gereedschapskist waar we pas in kijken als het al misgegaan is. In een alliantie doe je het omgekeerd. Wordt het duurder, dan leg je het op tafel, en dan kijk je of je de ander kunt helpen het geld te regelen of juist minder uit te geven. Bas vatte het aan het slot samen: wie het verlies ook draagt, je kunt het beter voorkomen, en samen snel oplossen is voor de BV Nederland altijd het goedkoopst.
De gereedschapskist ligt er. De vraag is alleen of we hem opendoen voordat het misgaat, of pas daarna.